SMARTblog

Sportmentaliteit in een PhD
15 april 2026
Voordat ik aan mijn PhD begon, vroeg ik mij af of ik kickboksen kon blijven combineren zoals ik dat daarvoor deed. Vijf tot zes keer per week sta ik in de gym voor training. Overdag zit ik achter mijn laptop. Op het eerste gezicht hebben deze twee werelden weinig met elkaar te maken. Toch komen ze in mijn hoofd regelmatig samen, maar botsen ze ook.

De trainingen bestaan uit herhalingen, techniek en conditie. Werken aan iets wat niet altijd direct zichtbare resultaten oplevert. De mindset die we bij kickboksen hebben, discipline, doorzetten en niet zeuren, neem ik ook mee naar mijn PhD. Gewoon doen wat nodig is, ook als je een keer geen zin hebt. Bij onderzoek doen zijn het juist de kleine, herhaalde handelingen (bijv. een artikel lezen, een stuk schrijven, een analyse uitvoeren) die uiteindelijk iets opleveren. Net als bij training eigenlijk!

Ook omgaan met tegenslagen is niet onbekend. Met kickboksen verlies je soms een wedstrijd, ook al heb je goed en lang hiervoor getraind. In een PhD ziet het er wat anders uit, maar het gevoel is waarschijnlijk vergelijkbaar. Dit kan ik mij in ieder geval voorstellen, bijvoorbeeld bij situaties die anders lopen dan verwacht, feedback die kritischer is dan je had gehoopt, een abstract die wordt afgewezen, of een analyse die niet werkt zoals je dacht. Wat kickboksen mij hierin heeft geleerd, is om zulke momenten minder persoonlijk te maken. Niet “ik ben niet goed genoeg”, maar “wat kan ik hiervan leren?”. Deze verschuiving zal mij hopelijk in mijn PhD ook helpen om makkelijker weer door te gaan, zonder dat alles meteen zwaarder wordt.
Toch zit er ook een addertje onder het gras, want waar “gewoon doorgaan” in kickboksen vaak logisch voelt, is dit in een PhD waarschijnlijk niet altijd zo effectief. Er zullen momenten komen waarop ik vast loop of momenten waarop mijn hoofd vol zit en toch blijf doorgaan, zonder dat het me echt verder helpt. Tijdens trainingen leer je je grenzen kennen, maar je leert ook om eroverheen te gaan. Dat is waardevol, maar tot op zekere hoogte. Mentale vermoeidheid is subtieler, minder zichtbaar, en daardoor misschien ook juist makkelijker om te negeren.
Het voelt gelukkig niet alsof ik moet kiezen tussen de twee werelden, waar ik eerst eigenlijk wel een beetje bang voor was, maar eerder alsof ik moet leren combineren en schakelen tussen beide. Ik hoef de sportmentaliteit niet los te laten, maar deze bijstellen. Discipline is waardevol, maar niet altijd de oplossing. Doorzetten is belangrijk, maar niet eindeloos.
Kickboksen leert me om continu door te zetten. Mijn PhD dwingt me om te leren wanneer dat helpt en wanneer niet.
Wanneer onderzoeksideeën ontkiemen: de lente van de wetenschap
26 maart 2026
Er zijn van die momenten in het jaar waarop alles in beweging lijkt te komen. De dagen worden langer, het licht verandert, en ineens zie je overal tekenen van groei. De lente kondigt zich niet aan met één duidelijk signaal, maar met een opeenstapeling van kleine veranderingen.
Op een vergelijkbare manier ontstaan ook onderzoeksideeën. Zelden begint een goed idee met een plotselinge ingeving uit het niets. Veel vaker is het een proces dat zich langzaam ontvouwt. Een observatie hier, een vraag daar, een artikel dat blijft hangen – en zonder dat je het direct doorhebt, begint er iets te groeien.


Van losse gedachten naar een eerste scheut
In de beginfase zijn onderzoeksideeën vaak nog kwetsbaar en ongevormd. Ze bestaan uit losse flarden: een “wat als”-vraag, een onverwachte uitkomst, of een patroon dat net niet helemaal te verklaren is. Net als de eerste knoppen aan een boom zijn ze makkelijk over het hoofd te zien.
Binnen onderzoek – en zeker ook binnen het SMARTneurolab – zijn dit vaak de momenten die het verschil maken. Juist door ruimte te geven aan dit soort vroege ideeën, ontstaat er iets nieuws. Niet alles hoeft meteen uitgewerkt te zijn; soms is het genoeg om een gedachte even vast te houden en te laten rijpen.
Groei vraagt om de juiste omstandigheden
Zoals planten afhankelijk zijn van licht, water en temperatuur, hebben ook onderzoeksideeën de juiste context nodig om verder te groeien. Samenwerking speelt hierin een belangrijke rol. Een idee dat in je eentje nog vaag blijft, kan in gesprek met anderen ineens scherper worden. Daarnaast is er tijd nodig. In een omgeving waar de focus vaak ligt op resultaten en output, kan het verleidelijk zijn om ideeën snel te willen concretiseren. Maar net als in de natuur laat groei zich niet afdwingen. Sommige inzichten ontstaan juist in de ruimte tussen projecten door.
Snoeien hoort er ook bij
Niet elk idee groeit uit tot een volledig onderzoeksproject. En dat is niet erg. In de lente bloeit er veel, maar een deel daarvan zal het niet redden. In onderzoek werkt dat net zo: sommige hypothesen blijken niet houdbaar, sommige richtingen lopen dood. Toch is ook dat een waardevol onderdeel van het proces. Door ideeën te toetsen, bij te stellen of los te laten, ontstaat er ruimte voor nieuwe groei. Het ‘snoeien’ van onderzoekslijnen helpt om de focus te behouden en sterker verder te bouwen.
Van bloei naar impact
Wanneer een idee zich verder ontwikkelt, krijgt het vorm in een studie, een experiment of een toepassing. Wat begon als een losse gedachte kan uiteindelijk uitgroeien tot inzichten die bijdragen aan betere diagnostiek, behandeling of begrip van het brein. Binnen het SMARTneurolab zien we dit terug in de manier waarop onderzoek zich ontwikkelt: van eerste nieuwsgierigheid naar concrete toepassingen, vaak met behulp van innovatieve technologieën zoals Virtual Reality. Ook hier geldt: wat begint als een klein zaadje, kan uitgroeien tot iets dat impact heeft in de praktijk.
Ruimte voor nieuwe ideeën
In een onderzoeksomgeving betekent dat ook ruimte maken voor nieuwsgierigheid. Niet alles hoeft direct een duidelijk doel te hebben. Soms is het juist het verkennen, het twijfelen en het opnieuw kijken dat leidt tot de meest waardevolle inzichten.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van de lente: groei begint bij aandacht. Door stil te staan bij kleine observaties en open te blijven voor nieuwe vragen, geef je ideeën de kans om te ontstaan.
Minder Controle, Meer Gedrag: Naar Nieuwe Inzichten uit Complexe Data
23 juni 2025
Als onderzoekers binnen de psychologie kijken we veel naar gedrag en zoeken we naar patronen. Om dat te kunnen, is er een vertaalslag nodig. Met een strak opgezet en hoog gecontroleerd experiment is dat goed te doen. Denk aan vragen als: Hoelang duurt het voordat je reageert? Had je het goed of had je het fout? Zag je de gorilla of zag je hem niet? Maar wat als we nu juist een ongecontroleerde omgeving gaan gebruiken? Eentje waar mensen zich vrij in kunnen gedragen? Door mensen die vrijheid te geven, proberen we een meer ecologisch valide meting te krijgen. Een meting van gedrag dat dichter bij het natuurlijke gedrag van mensen buiten het lab ligt.

Ongecontroleerd klinkt voor veel wetenschappers nog als riskant, of zelfs fout. Met name omdat de getallen dan minder goed te vertrouwen zijn. Die getallen kunnen namelijk door veel meer factoren beïnvloed worden. Dit in tegenstelling tot wanneer we zorgen dat iedereen precies op dezelfde afstand van een beeldscherm zit, met dezelfde vinger de knop indrukt, en we zoveel mogelijk andere aspecten ook straktrekken. We verliezen dan een stuk van de variantie in de data, wat goed is voor de statistiek. Die variantie kan echter ook heel informatief zijn – als we die kunnen onderzoeken.
In mijn werk probeer ik laag-gecontroleerde taken te onderzoeken. Daarin komen twee belangrijke stappen naar voren:
1. Hoe kan ik het complexe gedrag of de complexe omgeving vertalen naar getallen waar we verder mee kunnen werken?
2. Welke van deze ‘berg aan beschrijvingen’ die ik gemaakt heb zijn interessant en relevant?
Het gaat dan om feature engineering en feature selectie. Bijvoorbeeld, in mijn onderzoek naar kunst vragen we mensen om een mening te geven over honderden abstracte kunstwerken. Elk kunstwerk wordt vertaald naar informatie zoals de hoeveelheid licht, het contrast tussen rood en groen, de symmetrie en de entropie. Dit zijn zo’n 200 maten in totaal. Vervolgens gebruiken we AI-modellen om in die berg features te zoeken naar degenen die samen het best de mening van de deelnemer verklaren. Op die manier kunnen we beter begrijpen waarom iemand iets mooi vond. Dit doen we zonder hoog gecontroleerde plaatjes te gebruiken waar we, zoals in een experimentele setting, maar één of twee van deze features per keer manipuleren. We laten de complexiteit van de kunst dus intact.
In het SMARTneurolab doe ik iets vergelijkbaars. Nu vertaal ik gedrag in een virtuele omgeving in tientallen beschrijvingen; Wat raakte je aan? Hoe snel beweeg je je hoofd terwijl je iets vast hebt? Hoelang keek je objecten die belangrijk zijn voor je taak? Binnen die beschrijvingen zoeken we dan naar features – gedragingen binnen de VR-omgeving – die ons iets kunnen vertellen over het individu. Op wat voor manier gedragen patiënten zich anders dan controledeelnemers? Hoe goed kunnen we dat oppikken? En is het mogelijk om hiermee te bepalen ‘wat’ de patiënt nodig heeft in termen van training? Zouden we misschien zelfs ‘patiënten’ kunnen herkennen voordat ze een diagnose hebben?
Maar mensen blijven mensen. Hoe groot of hoe precies je berg features ook is, je zult ze nooit compleet kunnen vangen. Het individu zal altijd voor een stukje verloren gaan tussen de getallen. Het observationele onderzoek van een psycholoog vervangen is dan ook absoluut niet het doel. Maar alle observaties helpen. Mogelijk kan de aanpak hierboven helpen om risicogroepen al in een vroeg stadium te detecteren, door de psycholoog te ondersteunen.
Blog van Ilan
10 april 2025
Voordat ik aan mijn PhD begon had ik nog nooit iets gedaan in de richting van neuropsychologie. Mijn bachelor en master heb ik beide in informatica gedaan, en dat is ook het vakgebied voor mijn PhD. Toch zit ik hier en moet ik voor mijn onderzoek wel echt bekend zijn met de terminologie, werkwijze, literatuur enz. van neuropsychologie. Deze twee vakgebieden liggen erg ver uit elkaar, en de manieren waarop werden mij al snel duidelijk toen ik begon.

Een van de duidelijkste verschillen die naar boven komt is hoe er wordt getest. Nou is het niet alsof er in de informatica nooit user tests worden gedaan (die zijn zeker een belangrijk onderdeel van het vakgebied), maar bij neuropsychologie is ongeveer elk onderzoek een user studie. Best logisch natuurlijk, want hoe test je anders of bijvoorbeeld je revalidatie of assessment werkt, zonder het op een personen te testen? In dat opzicht hebben we het in de informatica net iets makkelijker: In plaats van participanten moeten zoeken, iedereen individueel je onderzoek laten doen, en daarna hopen dat je statistische analyse significante resultaten geeft, zetten we in de informatica gewoon ons programma aan op een computer, doen iets anders voor 2 uur, en krijgen dan een getal terug die zegt dat onze methode beter is dan een andere methode.
Een ander (logisch) verschil wat mij direct opviel is de onderbouwing voor methodes. In de informatica (en andere bètawetenschappen) kan je in veel gevallen met wiskundige formules al laten zien dat iets werkt voordat je het hebt geprobeerd. Dit is ook direct je onderbouwing voor de methode (deze formules laten zien dat mijn methode/theorie zou moeten werken, en deze tests laten zien dat dat ook daadwerkelijk zo is). In neuropsychologie is het helaas niet zo makkelijk. Je kan de werking van het brein niet even uitdrukken in een formule om te laten zien dat je nieuwe methode of theorie werkt. Nee, je moet een goed beeld hebben bij hoe het brein werkt en vanuit die kennis een nieuw idee bedenken. Hierdoor voelde het voor mij aan het begin bijna alsof dit hele vakgebied gewoon wat guesswork is, “Probeer maar iets en dan zien we wel of het werkt”. Daarop terugkijkende is het natuurlijk wel logisch dat niet het hele veld “gewoon maar wat doet”, maar dat er wel degelijk redeneringen en kennis zit achter beslissingen die worden gemaakt.
Het laatste verschil waar ik het over wil hebben is een punt over schrijfstijl. Nou kan ik niet zeggen dat wat ik heb gelezen representatief is voor het hele vakgebied. Ik heb voornamelijk papers gelezen voor revalidatie technieken van hemianopsie, en dit is iets wat mij daarin opviel. In veel van deze papers zag ik dat er niet heel veel geschreven wordt over de methode, en veel meer over hoe ze hebben laten zien dat de methode werkt. De aandacht van het paper is het onderzoek zelf (laten zien dat de methode werkt in praktijk), en niet per se wat de methode is. Aangezien ik zelf ook een training moet gaan ontwerpen, las ik deze papers vooral om te kijken hoe hun training werkt. Al snel kwam ik er dan achter dat van de 20 pagina’s, ongeveer een halve pagina beschrijft hoe de training werkt. Dit is in tegenstelling tot informatica, waar je vaker het tegenovergestelde probleem ziet (dit is in detail hoe mijn methode in elkaar zit en waarom, en misschien is hij ook nuttig).
Toch is het interessant om eens te zien hoe een ander vakgebied te werk gaat, al helemaal met hoe anders neuropsychologie en informatica zijn. Dat is toch iets waar je niet in elke onderzoekspositie mee te maken krijgt. Nu nog kijken wat voor verschillen er nog meer naar boven komen in de volgende drie en een half jaar van mijn PhD.
Charlotte’s blog
21 maart 2025
Pursuing a PhD is challenging. Parenting is challenging. Doing both at the same time? Honestly, it can be chaotic — but somehow it works. And strangely enough, I think it actually makes both a little easier. It’s all about balance — that elusive work-life balance that everyone seems to be chasing. I’m now in the final year of my PhD. In that time, I’ve taken two maternity leaves, have been raising two young children, and somehow survived on very little sleep (my youngest is finally sleeping through the night — at 16 months old!). Most days, I’ve been a sleep-deprived PhD student, running on caffeine and sheer willpower – and the occasional good cry.

But here’s the thing — my work makes me feel like me. At home I’m ‘Mumma’. But when I’m at work, I can dive into my research, analyse data, and actually use my brain for something other than remembering snack schedules and nap times (that’s not all, of course!). I treasure my Wednesdays off with the children, but on Thursdays I’m itching to get back to my research. That’s the secret: you have to enjoy your PhD. If you are passionate about your research, it doesn’t feel like work! Of course, not every day is smooth sailing. There are days when you get home from work, your brain completely fried, pick up your children from nursery, walk through the door at home — and bam — two crying toddlers! There’s dinner to cook, baths to run, and bedtime battles to fight. And sometimes it feels like you (and your partner) are the only ones drowning.
But then there are the other days — the ones where you’ve had a really tough day at work, but the moment your children come crawling or running up to you with big smiles on their faces or chanting ‘Mumma, Mumma, Mumma’ — it all melts away. These little moments are everything.
So, what’s important?
- Master the art of time management (or discipline) – Still a work in progress, but trying to stick to a structured schedule makes a huge difference.
- Build a strong support system – Including your partner, family, and the friends you’ve made through your children. Some days it takes a village — and that’s OK!
- Embrace flexibility – Toddlers and research are both unpredictable. Sometimes your workday will be derailed by a sick child or an unexpected meeting. Embrace this — enjoy the extra time you have with your child, even if it means spending the whole afternoon pushing them on a swing!
- Communicate with your supervisor – They’ll (hopefully) understand and help you manage your workload and expectations if needed. Don’t be afraid to ask for help.
- Take care of yourself – You can’t pour from an empty cup! For me, self-care means going to the gym in the morning and having a cappuccino afterwards (sometimes before, too!). Self-care isn’t selfish — you’re not just a parent or a PhD student, you’re still you.
Both parenting and a PhD are long, demanding journeys — but they’re also full of rewarding moments. Celebrate the little things — whether it’s finishing a draft (even if the feedback is likely to sting) or hearing your toddler learn a new word (or at least a word you’ve never heard them say before!). These victories, big and small, will keep you going when the going gets tough. Balancing a PhD and being a parent isn’t easy. Some days it feels impossible. But with careful planning, support, and a little grace, it can be done (I hope — I’m not there yet!). You don’t have to be perfect — just keep going.
And honestly? I wouldn’t have it any other way.
P.S. I wrote this as a PhD student, but honestly, it applies to all (working) parents.
Inês’ blog
18 februari 2025
“You never really understand a person until you consider things from his point of view… Until you climb inside of his skin and walk around in it.” – To Kill a Mockingbird

For individuals with acquired brain injuries, life often becomes a maze of obstacles. A constant attempt to fit into a world that has become overwhelmingly fast-paced and disorienting. How can we not only grasp their reality but also genuinely “climb inside their skin”? And is it truly necessary to “step into another’s skin” to understand this struggle? And if so, how can society, healthcare systems and families meet this reality? Caregivers, friends, employers – all play a vital role in supporting individuals with brain injuries. Yet, too often, they are left in the dark, unsure of how to help or where to turn for guidance. For healthcare professionals, the challenge is also real: how can they provide care that’s not just effective but also deeply empathetic? To meet these challenges, we need three things: empathy, knowledge and technology. Medical professionals and caregivers must be equipped not only with an understanding of the science behind brain injuries but also with the tools to practice compassionate care. They need to recognize that healing is not linear, that progress is often measured in small, quiet victories. And, perhaps most importantly, they need to see the patient not as a diagnosis but as a person – with dreams, fears, and a story worth hearing. On the other hand, public awareness campaigns, community workshops, and accessible resources can bridge the gaps, turning confusion into clarity and fostering compassion among those providing care. Technology also has a vital role to play. In an era where innovation is at our fingertips, tools like Virtual Reality (VR) can transform understanding. VR simulations, for example, can replicate the challenges of living with a brain injury – the cognitive fatigue of processing overwhelming stimuli, the frustration of struggling to recall simple information, or the disorientation caused by balance and sensory impairments. These immersive experiences don’t just educate – they build empathy, the essential foundation for compassionate support. By merging these three components, we can help create a safer and more inclusive world for individuals living with cognitive and physical impairments. A world where, perhaps we can’t completely “climb inside their skin and walk around in it”, but we can listen, learn, and imagine – taking us one step closer to seeing the world through their eyes.
De vergrijzende samenleving: uitdagingen en kansen
13 december 2025
De wereldbevolking veroudert in een ongekend tempo. Waar een hoge levensverwachting ooit een uitzondering was, is het vandaag de dag in veel landen de norm. Tegen 2050 zal naar verwachting één op de zes mensen wereldwijd 65 jaar of ouder zijn. Deze demografische verschuiving biedt kansen, zoals de toename van ervaring en wijsheid in onze gemeenschappen, maar brengt ook uitdagingen met zich mee.

Een van de grootste vraagstukken is hoe we ouderen langer mobiel, veilig en gezond kunnen houden, terwijl we tegelijkertijd de druk op gezondheidszorg en revalidatiesystemen beheersen. Met ouder worden nemen gezondheidsproblemen toe: chronische aandoeningen, cognitieve achteruitgang en een verhoogd valrisico. In België valt jaarlijks ongeveer één op de drie thuiswonende ouderen, waarvan een aanzienlijk deel meerdere keren. Deze valpartijen vormen niet alleen een bedreiging voor de zelfstandigheid en levenskwaliteit van ouderen, maar zorgen ook voor een stijgende zorglast. Hoe kunnen we deze trend keren?
Innovaties in technologie spelen hier in de toekomst mogelijk een sleutelrol in. Ze maken het mogelijk om ouderdomsgerelateerde problemen beter te begrijpen en op maat gemaakte oplossingen te ontwikkelen. Mijn onderzoek richt zich specifiek op het voorkomen van valincidenten, waarbij technologieën zoals Augmented Reality (AR) en draagbare hulpmiddelen centraal staan, want een vergrijzende samenleving vraagt om innovatieve oplossingen die meebewegen met de behoeften van haar oudste generaties.
In mijn onderzoek staat gaze control centraal—het vermogen om met je blik (bewegende) objecten te volgen. Dit speelt een cruciale rol in alledaagse situaties, zoals het oversteken van een drukke straat of het doen van boodschappen. Wanneer deze functie vermindert door bijvoorbeeld sensorische tekorten of cognitieve beperkingen, neemt het risico op vallen mogelijk toe.
Om dit beter te begrijpen, maak ik gebruik van geavanceerde technologieën om oogbewegingen te analyseren tijdens het uitvoeren van een complexe taak. Deze analyses bieden inzicht in hoe ouderen, zowel met als zonder valrisico, hun blik controleren tijdens zulke taken. Dit gaat verder dan alleen het observeren van oogbewegingen; het helpt ons om bredere functies te begrijpen, zoals de interactie tussen sensorische waarneming, cognitieve verwerking en motorische controle. Deze integratie is essentieel om het valrisico volledig te doorgronden.
Een belangrijke innovatie in mijn aanpak is het gebruik van Augmented Reality (AR)-tools zoals de Hololens. Met deze technologie kan ik de beperkingen van traditionele, niet-realistische onderzoeksomgevingen doorbreken. In plaats van simpele taken in een kunstmatige setting te analyseren, kan ik realistische en gestandaardiseerde scenario’s creëren. Denk bijvoorbeeld aan het simuleren van een situatie waarbij ouderen een bewegend object met hun ogen volgen tijdens het wandelen.
Naast het beter begrijpen van valrisico op fundamenteel niveau werk ik ook aan een ander, functioneel aspect van revalidatietechnologie: draagbare exoskeletten voor ouderen met sarcopenie of een beroerte. Het doel is om assisterende technologie te ontwikkelen die niet alleen ondersteunt, maar echt samenwerkt met de gebruiker en hen inzicht geeft in hun gezondheidstoestand. Maar hoe ontwerpen we hulpmiddelen die niet alleen functioneel zijn, maar ook comfortabel, intuïtief en afgestemd op de fysieke en mentale grenzen van de gebruiker? Door interviews en intensieve samenwerking met ouderen halen we essentiële inzichten op. Zo kunnen we technologie creëren die écht aansluit bij hun behoeften en levensstijl.
Hoewel technologische innovaties tijd nodig hebben om hun weg naar de praktijk te vinden, staan we met tools zoals AR en exoskeletten aan de vooravond van een transformatie. Het is echter niet genoeg dat technologie indrukwekkend lijkt—het moet daadwerkelijk een verschil maken. Dit vraagt om een multidisciplinaire aanpak, waarin wetenschap, technologie en de eindgebruikers samenwerken om oplossingen te ontwikkelen die levenskwaliteit verbeteren.
Het voorkomen van vallen en verbeteren van mobiliteit vraagt om slimme, innovatieve oplossingen. Mijn onderzoek heeft als doel om een stabielere toekomst te creëren voor ouderen, of dat nu is door valpredictie via AR of door de ontwikkeling van draagbare exoskeletten. Samen kunnen we bouwen aan technologie die écht impact heeft—en zo bijdragen aan een betere en veiligere wereld voor onze oudste generaties.
To VR or not to VR? That is the question!
7 november 2024
Sinds de lancering van de eerste virtual reality bril in 2015 is de interesse in het gebruik van deze technologie in de gezondheidszorg enorm gegroeid. Zo kan je nu bij de psycholoog VR therapie gaan volgen om je angsten te overwinnen of word je afgeleid van een pijnlijke behandeling met een immersive VR simulatie. De klinische toepassingen lijken eindeloos – ook voor mensen met een hersenaandoening. VR kan helpen om dagelijkse vaardigheden te oefenen, zoals veilig de straat oversteken of boodschappen doen, zelfs vanuit het revalidatiecentrum. Ook is VR ideaal om te werken aan je aandacht of om sociale interacties te oefenen in een veilige omgeving.

Maar ondanks al deze veelbelovende mogelijkheden lijkt VR nog niet echt door te breken in de neurorevalidatie. Zal VR blijven steken in beloftevolle concepten, of kan het ook daadwerkelijk het verschil maken in de praktijk? Hebben we het momentum gemist of mogen we niet zo ongeduldig zijn?
Hoe lang duurt het eigenlijk om nieuwe therapieën te ontwikkelen, valideren en klaar te stomen voor de praktijk? ChatGPT weet me te vertellen dat het gemiddeld 10 tot 20 jaar duurt vooraleer een nieuwe technologie zijn ingang in de praktijk vindt, waarbij bijvoorbeeld het gebruik van telemedicine 20 jaar heeft gekost. Oef, dat lucht wel wat op! Misschien is het momentum nog niet voorbij en moeten we geduldig verder werken aan onderzoek naar VR neurorevalidatie.
Het is dan ook essentieel dat we technologie niet implementeren omdat het ‘kan’, maar omdat het daadwerkelijk iets toevoegt. En dat is mijn missie als onderzoeker: de vraag kunnen beantwoorden, “To VR or not to VR?”.
Blog van Eileen
17 oktober 2024
Wat was ik ook alweer aan het doen? Oh ja, ik schrijf een blog. Dat moet perfect zijn. Wie gaat het allemaal lezen? Misschien wel veel mensen. Laat ik eens door mijn sociale media scrollen… Ah, een blog heeft een pakkende intro nodig. Pling… een uitnodiging voor een vergadering. Ik zet de mail even uit. Waar was ik? Ah, WhatsApp. Nee, het schrijven van een blog!

Herken je dit? Alledaagse afleidingen kunnen ons soms behoorlijk in de weg zitten. Veel van deze afleidingen komen door de digitale wereld waarin we leven. We krijgen constant informatie, maar we vragenook steeds om meer informatie. Het lijkt wel alsof we vastzitten in een digitale cirkel en steeds meer ons leven online leven. Ondertussen hebben we ook nog een echt leven met werk, huishouden, zorg voor anderen, sport, hobby’s en sociale activiteiten. Een digitaal leven én een echt leven leiden is moeilijk voor ons brein. Maar wat is de oplossing? Moeten we ons terugtrekken in een hutje op de hei?
Ik denk dat we ons kunnen verbinden met onze digitale wereld. We kunnen computers gebruiken om de uitdagingen van het dagelijks leven aan te pakken. Dit is waar mijn werk om de hoek komt kijken: ik doe onderzoek naar hoe we neuropsychologische testen en trainingen kunnen verbeteren met nieuwe technologie, zoals Virtual Reality (VR).
We kiezen voor deze technologie omdat mensen met niet aangeboren hersenletsel (NAH) niet alleen willen weten wat er aan de hand is, maar ook willen begrijpen wat ze in hun dagelijks leven kunnen verwachten.
Dit is best ingewikkeld. Het is makkelijk om te meten hoe goed iemand denkt, zoals iets onthouden, in een rustige omgeving. Maar in het echte leven zijn er veel afleidingen en moeten verschillende denkvaardigheden samenwerken. Hier komt de kracht van computers weer bij kijken.
Met VR kunnen we de echte wereld nabootsen. Mensen met NAH spelen een Serious game, wat een soort spel is dat ook een test is. Terwijl ze spelen, verzamelen we belangrijke gegevens die ons helpen begrijpen hoe zij functioneren in het dagelijks leven. Hopelijk kunnen we met deze gedetailleerde informatie beter voorspellen hoe mensen met NAH om kunnen gaan met hun dagelijkse taken in een druk leven.
Dit klinkt als muziek in de oren, maar er ligt nog heel wat werk voor ons klaar bij SMARTneurolab om dit te realiseren. Stap voor stap komen we er wel, mits we ons niet voortdurend laten afleiden! Ik heb overigens ChatGPT net gevraagd of zij mijn chaotische blog vloeiender kan verwoorden.
Blog van Sanne
17 september 2024
SMART, een afkorting waar de gemiddelde psychologiestudent mee wordt doodgegooid om hen aan te leren dat een doel, en daarmee ook een onderzoek, Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden moet zijn. Makkelijk gezegd, maar hoe maak je een promotietraject van vier jaar binnen SMARTneurolab SMART? De T is alvast ingevuld, nog vier letters te gaan.

Aan de start van een vierjarig onderzoek heb je slechts een non-specifiek beeld van wat je te wachten staat. Dat geldt voor het blik literatuur dat je gaat opentrekken, maar des te meer voor de dynamiek van samenwerkingen, de vaardigheden die je je eigen gaat maken, allerlei administratieve vereisten, het uitrollen van logistiek, het werven van deelnemers, een impostor syndrome dat om de hoek komt kijken, en last but not least, fluctuaties in je motivatie.
Een PhD-traject staat vaak te boek als eenzaam. Men stelt zich een eenling voor aan een bureau tussen stapels papieren, met drie monitors voor zich en een whiteboard met ingewikkelde formules achter zich. En, toegegeven, ons kantoor is volgekrabbeld met ideeën voor experimentele paradigma en berekeningen, maar je vindt er ook quotes, flauwe spreuken en geboortekaartjes. Samen zijn in een kantoor, samen sparren over inhoud, samen p-hacken (grapje) en herinneringen maken, dát is wat mijn PhD-traject van significante betekenis maakt. De S van ‘Samen’ dus. Gedeelde SMART is halve SMART.
Vier jaar is best lang. Doorzettingsvermogen is een vereiste, en om dat vast te houden is motivatie cruciaal. Vaak gaat dat vanzelf, zit er dynamiek in je dagen, leer je leuke mensen kennen, raak je geënthousiasmeerd van de nieuwe kennis die je opdoet op congressen en drijft de doctorstitel je motivatie om weer een artikel te schrijven. Soms, echter, wil het gewoon niet. Wat mij helpt? Uit mijn hoofd en in mijn lijf, door naast het academisch werk veel te bewegen, en mezelf soms ook toe te staan wat minder productief te zijn. Doorbreek een monotone schrijfperiode met iets waar jij energie van krijgt. En bovenal, spreek naar je team uit dat je even niet zo lekker in de wedstrijd zit. Wie weet wat voor geniale ideeën zij hebben. De M van ‘Motivatiemanagement’.
De A vervolgens: hoewel Acceptabel acceptabel is, lijkt ‘Aanpassingsvermogen’ mij een goede aanvulling. Je zult hoe dan ook in situaties komen die anders uitpakken dan gewenst. Accepteer dit, bedenk wat nieuws, pas je aan, en beun door. Juist het kunnen afwijken van de plannen (hé, nog een A!) en er alsnog een draai aan geven zal je uiteindelijk misschien wel meer brengen dan star vasthouden aan iets wat niet meer werkt.
Tenslotte, ‘Relativeer’. Ja, een PhD is een flinke kluif, en ja, het kan je compleet in beslag nemen, met ratelende radertjes nog steeds in je hoofd terwijl je probeert te slapen. En ja, je PhD is belangrijk. Maar alles is relatief. Het is echt niet zó erg als je jouw artikel een dagje later inlevert. Je PhD is nóóit belangrijker dan je mentale welzijn en je persoonlijke leven. Bouw rustmomenten in voor een écht realistische planning. Relativeren kun je leren.
Mijn versie van een SMARTe PhD heeft mij misschien wel meer over mijzelf geleerd dan over mijn vakgebied. Naast Doctor of Philosophy dus ook Doctor of Personal Health! En daar ben ik net zo trots op.
Jeffrey’s blog
12 juli 2024
Reflecting on my childhood, I vividly remember identifying with my favourite superheroes, comic book figures, and video game characters. I walked like them, talked like them, and even dressed like them. After watching Spiderman in the cinema, I would run out, shooting imaginary spider webs at building corners and squatting as if I were about to leap across the street. This sense of embodying someone else is common in children, but it extends to adults as well.

In video games, for instance, players’ perceptions of their characters can significantly influence their performance and strategies. Research in gaming has demonstrated that players alter their gameplay based on the perceived behaviour of their characters. A larger character might seem slower, while a smaller character might appear weaker, even if these differences are purely perceptual. As a result, players adopt different strategies and perform differently depending on their character’s appearance. One might argue that players’ assumptions about their characters’ qualities influence these behaviours. After all, there are weight classes in boxing, and ballerinas typically don’t weigh 100 kilos. However, the impact goes beyond the game itself.
Studies have shown that players often carry over specific behaviours from games into the real world, just like my early movie theatre experiences. One of the most effective methods for studying this phenomenon has been using virtual reality (VR), which has the unique ability of giving you the feeling of being in a different place and inhabiting a different body. Research using VR has revealed that people adjust their walking speed after playing as an elderly person. Other research demonstrated how people show increased empathy towards those with similar skin tones after embodying an avatar of a different race. But what if the avatar looks just like you? Well, studies have shown that if you watch yourself doing sports in VR, you eat healthier and move more afterward. So, it seems as though this feeling of being someone else (even a different version of yourself) can change everyday behaviours in very interesting ways.
This raises intriguing questions about how we can use this mechanism for positive change and what it reveals about our relationship with our physical bodies. While we once used our imaginations to become our favourite superheroes, we can now use digital simulations to manage our behaviours and foster empathy. By slipping into the lives of others, we can develop a deeper understanding and compassion for others and even ourselves.
Michaela’s blog
31 maart 2024
“I tried and failed.
I tried again and again and succeeded.”
Gail Borden

Children are naturals in being persistent, with sheer endless patience they try again and again to learn how to walk, to speak, or how to use a pencil for drawing. What starts as a first failed attempt, becomes better and better until we turn into adults who cannot even remember anymore how many trials it took to master these tasks.
However, not all children start similarly into life. Some are born with heart difficulties that require several surgeries when they are young; others are born too early and spend their first weeks or months in intensive care. Even with this rocky start in life, those children will show the same endless patience to learn as every other child. For some of them, they will need more attempts than others and some might need additional help for difficulties they experience later in life when they enter schools. Those children will probably meet specialists who try to understand what kind of support is needed to make sure the child can succeed in life.
Unfortunately the means for assessing difficulties are limited. That means, that most of the time we will refer to printed questionnaires that are filled out in a quiet room. However, these tests are not always very accurate in showing difficulties that are experienced in daily life – in a world that is dynamic and full of sounds.
Children like to play. Games can provide an interactive environment, and with technologies like Virtual Reality (VR), games can mirror the dynamics of the real world. Thus, VR games might have the potential to provide a better insight into a child’s real-world difficulties than paper-based tests. If we could use the game data to establish where a child actually needs support, we could improve the current way of testing, by offering something that is more fun to do and ideally can pinpoint difficulties more accurately. And maybe we could provide a training environment that is engaging, where children want to try and try again until they succeed in something that was previously too difficult.
Blog van Martine
14 mei 2024
‘Onderzoek dichter naar de praktijk brengen’ is een veel voorkomende opmerking. Mijn roots voor passie naar onderzoek liggen in de praktijk. Een omgeving waar de cliënt, zorg en behandeling bij elkaar komen.

Ooit begonnen als fysiotherapeut in de ouderenzorg en neurorevalidatie. Het is een drukke, levendige omgeving waarbij soms opgegaan wordt in de drukte van de dag. Hier heb ik mij samen met het team regelmatig afgevraagd of het niet anders kan of beter zou moeten. Dan wel door de ogen van de cliënt, dan wel met het oog op het behandel/zorgproces. Door met elkaar hierover te praten, te verkennen en te proberen, kwamen we soms van kleine inzichten tot voor ons grote verbeteringen/aanpassingen.
Nu vele jaren later is de passie voor onderzoek alleen maar groter geworden, en daarmee ook het inzicht hoe belangrijk onderzoek is voor verbetering van het zorg & behandelproces. Alleen met onderbouwde nieuwe inzichten en innovaties kan het zorg & behandelproces in de ouderenzorg voortdurend verbeteren en ontwikkelen. Dit geldt ook voor ons onderzoek gericht op een veelvoorkomende aandachtstoornis na een beroerte (visuospatieel neglect). In dit onderzoek komen de onderzoeksvragen vanuit de praktijk (vanuit het multidisciplinair team) en hierdoor worden ook de onderzoeksresultaten steeds naast de praktijk gelegd. Zo controleren we wat uiteindelijk de praktijk (zorgprofessionals en client) aan deze resultaten heeft.
Als we op deze wijze kijken naar onderzoek en praktijk, dan ben ik van mening dat de opmerking ‘onderzoek dichter naar de praktijk brengen’ soms zelfs tekortschiet. Onderzoek zou een deel kunnen (en misschien wel moeten) zijn van de ouderenzorg, ingebed in het dagelijks handelen en meegenomen in de gedachtegang van de zorgprofessional. Niet alleen voor het verzamelen van data, voor de onderzoeksvragen of het implementeren van resultaten, maar juist ook de gedachtegang vanuit de dagelijkse praktijk; ‘wat kom ik tegen’, ‘waar lopen we tegenaan’ en ‘wat kan er beter of anders’. Mooi en ontzettend goed om het daar met elkaar over te hebben en de mogelijkheden in kaart te brengen.
Blog van Judy
2 mei 2024
“Ze ziet alles vliegen” een zinnetje dat mij tijdens mijn basisschool tijd achtervolgde, omdat ik moeite had om mijn aandacht te richten op 1 ding tegelijk. Het stond op mijn rapport en werd ook vaak uitgesproken tijdens 10 minuten gesprekken met mijn ouders. Of ik er zelf last van had? Nee, toen nog niet. Ik vond het wel leuk, want ik kreeg zelfs een wiebelkussen om op te zitten.

Tijdens mijn middelbare school tijd kreeg ik er wel last van, want als ik niet goed oplette in de klas,
wist ik ook op de toetsen niet goed te antwoorden en dat resulteerde dus ook in slechte cijfers. Dit
probeerde ik op te lossen door vooral thuis (in een prikkelarme omgeving) goed te leren, maar ook
daar had ik moeite mee en moest ik alles heel vaak herhalen om de informatie goed op te kunnen
slaan. Maar eerlijk, heel veel vakken op de middelbare school waren voor mij ook niet zo
interessant. Het was vooral heel veel taaie en saaie stof.
Tijdens mij Ergotherapie opleiding veranderde dit (gelukkig) al omdat ik iets leerde waar ook mijn
interesse lag, ik moest er evengoed nog wel meer voor doen dan een ander (voor mijn gevoel).
Maar ik was gemotiveerd en dat was al 100% winst. Nu in mijn werk als ergotherapeut heb ik er
veel minder last van. Waarom? Mijn aandacht wordt steeds getrokken door de fijne en
interessante gesprekken met revalidanten en ik ben vooral ook zelf in actie waardoor ik mijn
aandacht beter kan richten waar ik op dat moment mee bezig ben. In actie zijn, iets doen wat ik
leuk vind en niet te lang achter elkaar met hetzelfde bezig zijn. Dat zijn mijn sleutels tot succes!
Het grappige is ook dat collega’s mij niet zien als iemand die alle vogeltjes ziet vliegen maar juist
als heel rustig.
“Het grappige is dat collega’s mij niet zien als iemand die alle vogeltjes ziet vliegen, maar juist als heel rustig.” Judy Bakker

Hoe gaan mensen met hersenletsel om met verminderde aandacht? Voor hen moet dit nog veel
lastiger zijn. Ze moeten revalideren, er komt veel bezoek, ze verblijven vaak tijdelijk in een andere
omgeving met allemaal nieuwe prikkels, ze moeten opnieuw leren lopen, omgaan met de
beperkingen die ze nu ervaren en dit ook allemaal nog zien te verwerken. Onmogelijk als je dit alles
bij elkaar optelt. Als ergotherapeut proberen we samen met de revalidant ook te zoeken naar een
balans hierin maar als ik dit zo opschrijf krijg óók ik weer zelf een besef momentje dat we vaak té
veel vragen.
Door nu ook binnen mijn onderzoek meer bezig te zijn met aandacht helpt het mij om zelf ook
steeds meer grip hierop te krijgen en in de praktijk hier meer rekening mee te houden. Want zonder
aandacht is er ook geen ruimte om te groeien. Heb jij ook aandacht voor aandacht?
Blog van Tanja
28 maart 2024
“One day baby we’ll be old
And think of all the stories that we could have told“
Asaf Avidan

Balans… we zoeken het vrijwel allemaal, tussen moeten en willen, tussen werk en privé, tussen actief zijn en rust vinden. Balans vinden en behouden is soms lastiger dan vooraf gedacht.
Niet alleen ik worstel soms met de balans tussen werken, gezin, sociale afspraken, sporten, rusten, maar ik zie het thuis en op werk ook steeds meer. Met opgroeien en steeds meer eisen die de omgeving stelt, moeten jongeren ook steeds meer met een goede balans bezig zijn. Er wordt momenteel van iedereen zoveel verwacht; scholieren en studenten kampen meer dan ooit met overvraagd zijn en burnout.
Na hersenletsel is balans (terug)vinden om de dingen te blijven doen die je graag wilt doen nog lastiger. De omgeving stelt eisen, wellicht eisen die beter passen bij de ‘oude ik’ dan de nieuwe. Vaak heeft die ‘oude ik’ ook nog allerlei verwachtingen en blijkt dat niet alles van de ‘oude ik’ in het nieuwe leven haalbaar. Afscheid nemen van bepaalde dingen die je deed in het verleden kan pijn doen, maar ook veel tijd en energie geven om nieuwe dingen uit te gaan proberen.
Als ik nadenk over waar ik later graag op zou terugkijken en over zou willen vertellen, dan is ineens heel helder waar ik graag mijn dagen en weken mee wil vullen. Werk is daar een belangrijk onderdeel van; proberen het verschil te maken voor de mensen met hersenletsel die vastlopen in hun dagelijks leven geeft veel energie. De successen die we boeken zijn het zeker waard om later over te spreken. Maar ruimte inplannen voor de mooie verhalen die ik ook later graag zou vertellen, maakt dat een juiste balans houden steeds meer voor mij op de voorgrond komt te staan. Reflecteren met mijzelf, mijn naasten en mijn directe collega’s is daarbij heel waardevol.